Klimaatakkoord
Het Klimaatakkoord is de Nederlandse uitwerking van internationale afspraken over het tegengaan van klimaatverandering. Het is in 2019 gesloten en bevat concrete doelen en maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen flink te verlagen.
Op deze pagina lees je per sector wat er in het Klimaatakkoord is afgesproken, en hoe het er anno nu voor staat.
Spring direct naar de huidige stand van zaken.
Afspraken en cijfers
De basis van het Klimaatakkoord ligt bij het Akkoord van Parijs uit 2015, waarin 195 landen afspraken dat de opwarming van de aarde onder 2 °C moet blijven, met een streven naar 1,5 °C.
Hoofdafspraken
De hoofdafspraken uit het Nederlandse Klimaatakkoord (2019) per sector. Selecteer een tabblad voor de details.
Doel opwarming
1,5–2 °C
t.o.v. pre-industrieel niveau
Reductie NL 2030
55%
t.o.v. 1990 (Klimaatwet)
Klimaatneutraal
2050
netto nul uitstoot
Kern-afspraak
Het Akkoord van Parijs (2015) is door 195 landen ondertekend. Het doel is de opwarming van de aarde ruim onder 2 °C te houden, met een streven naar 1,5 °C. Nederland heeft dit vertaald in de Klimaatwet: minimaal 55% minder uitstoot in 2030 en klimaatneutraal in 2050.
Reductiedoel 2030
20,2 Mton
CO₂-equivalenten
Duurzame opwek
84 TWh
in 2030 (was 17 TWh)
Aandeel hernieuwbaar
70%
van elektriciteit in 2030
Kern-afspraak
De grootste reductieopgave ligt bij de elektriciteitssector. Fossiele opwek wordt vervangen door wind en zon, met een vervijfvoudiging van duurzame elektriciteit naar 84 TWh in 2030.
Reductiedoel 2030
3,4 Mton
CO₂-equivalenten
Verduurzamen in 2030
1,5 mln
woningen en gebouwen
Aardgasvrij in 2050
7 mln
woningen + 1 mln gebouwen
Kern-afspraak
Alle 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen moeten in 2050 goed geïsoleerd en duurzaam verwarmd zijn. Als tussenstap moeten in 2030 al 1,5 miljoen woningen en gebouwen verduurzaamd of aardgasvrij zijn.
Reductiedoel 2030
14,3 Mton
CO₂-equivalenten
Investeringen
€ 6 mrd
door industrie tot 2030
Overheidsbijdrage
€ 550 mln–1 mrd
per jaar richting 2030
Kern-afspraak
De industrie moet de tweede grootste reductie leveren via elektrificatie van processen, inzet van waterstof, hergebruik van grondstoffen en CO₂-opslag (CCS). Doel: in 2050 vrijwel geen broeikasgasuitstoot meer.
Reductiedoel 2030
3,5 Mton
CO₂-equivalenten
Veehouderij
1 Mton
methaanreductie
Glastuinbouw
1 Mton
CO₂-reductie
Kern-afspraak
De landbouw moet 3,5 Mton CO₂-equivalenten reduceren, deels via aanpassingen in de veehouderij (methaan), deels via slimmer landgebruik en verduurzaming van de glastuinbouw.
Reductiedoel 2030
7,3 Mton
CO₂-equivalenten
Nieuwe auto’s
100%
emissievrij vanaf 2030
OV-bussen
2030
volledig emissieloos
Kern-afspraak
Het wegtransport schakelt versneld over van fossiel naar elektrisch. Vanaf 2030 zijn alle nieuwe personenauto’s emissievrij en is het OV-busvervoer volledig elektrisch of waterstofgedreven.
Belangrijkste afspraken per sector
Het Klimaatakkoord is opgebouwd rond vijf sectortafels: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en mobiliteit.
Voor elke sector is een eigen reductiedoel afgesproken, opgeteld goed voor 48,7 megaton (Mton) minder CO₂-uitstoot in 2030. Hieronder lees je per sector wat dat in de praktijk betekent.
Elektriciteit
De elektriciteitssector heeft de grootste reductieopgave: 20,2 Mton minder CO₂ in 2030. Dat gebeurt door fossiele opwek (kolen- en gascentrales) versneld te vervangen door wind- en zonne-energie. In 2030 moet 70% van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komen, met een vervijfvoudiging van de duurzame opwek naar 84 TWh.
Het zwaartepunt ligt bij wind op zee, dat minstens 49 TWh moet leveren. Op land komt daar 35 TWh bij vanuit zonneparken, zonnedaken en windmolens. Om dit haalbaar te maken, zijn de productiekosten van wind en zon de afgelopen jaren fors gedaald. Daarnaast geldt voor de sector een minimumprijs voor CO₂, naast de Europese ETS-heffing.
Gebouwde omgeving
De gebouwde omgeving omvat alle woningen en gebouwen samen: ongeveer 7 miljoen huizen en 1 miljoen overige gebouwen. Het reductiedoel voor 2030 is 3,4 Mton. Het einddoel is dat alle gebouwen in 2050 goed geïsoleerd en duurzaam verwarmd zijn. Als tussenstap moeten in 2030 al 1,5 miljoen woningen en gebouwen verduurzaamd of aardgasvrij zijn.
De aanpak is wijk-voor-wijk en wordt gecoördineerd door gemeenten. Drie hoofdsporen:
- Belastingverschuiving: de energiebelasting op gas gaat omhoog, op elektriciteit omlaag. Dit maakt elektrisch koken, een warmtepomp en isolatie financieel aantrekkelijker.
- Subsidies: via de ISDE (Investeringssubsidie Duurzame Energie) krijg je geld terug voor isolatie, warmtepomp, zonneboiler of aansluiting op een warmtenet.
- Nieuwbouw: sinds 1 juli 2018 worden vrijwel alle nieuwbouwwoningen zonder gasaansluiting opgeleverd.
Industrie
De industrie is met 14,3 Mton de tweede grootste reductiesector. Het gaat dan om elektrificatie van industriële processen, inzet van waterstof als grondstof, gebruik van restwarmte en opslag van CO₂ (Carbon Capture and Storage, CCS). Voor 2050 is het doel dat de industrie vrijwel geen broeikasgas meer uitstoot.
Twee instrumenten staan centraal:
- Nationale CO₂-heffing: bovenop het Europese ETS betalen industriële bedrijven een nationale heffing per ton uitgestoten CO₂ die boven een vastgestelde norm uitkomt.
- SDE++-subsidie: bedrijven die investeren in CO₂-reductie kunnen subsidie aanvragen voor de onrendabele top van die investering.
De industrie investeert zelf circa € 6 miljard tot 2030. De overheidsbijdrage loopt richting 2030 op tot € 550 miljoen à € 1 miljard per jaar.
Landbouw
De landbouwsector moet in 2030 3,5 Mton minder uitstoten. De opgave is verdeeld over drie deelgebieden:
- Veehouderij: 1 Mton reductie via aangepaste stallen, andere mestopslag en innovaties die methaanuitstoot beperken.
- Landgebruik: 1,5 Mton via een gebiedsspecifieke aanpak voor veenweidegebieden, betere bemesting en minder bodemberoering.
- Glastuinbouw: 1 Mton via warmtenetten, aardwarmte en CO₂-reductie in kassen.
Daarnaast komen er maatregelen tegen voedselverspilling en een verschuiving naar meer plantaardig eten. De CO₂-uitstoot van landbouwvoertuigen moet omlaag door inzet op dieselvervangende technieken.
Mobiliteit
De mobiliteitssector heeft een reductiedoel van 7,3 Mton in 2030. De kern is de overstap van fossiel naar elektrisch wegvervoer. Alle nieuwe personenauto’s moeten vanaf 2030 emissievrij zijn, en het OV-busvervoer is dan volledig elektrisch of waterstofgedreven. Voor zwaar vrachtverkeer wordt ingezet op batterij-elektrisch en waterstof.
De belangrijkste maatregelen:
- Fiscale stimulering van elektrische auto’s via lagere bijtelling en motorrijtuigenbelasting.
- Laadinfrastructuur: forse uitbreiding van publieke en private laadpalen.
- Kilometerheffing voor vrachtwagens.
- Zero-emissiezones in stadscentra van 29 gemeenten, gefaseerd ingevoerd tussen 2025 en 2030.
- Stimulering van biobrandstoffen, autodelen, fietsgebruik en thuiswerken.
Huidige stand van zaken
Laatst bijgewerkt: 21-05-2026
Sinds 2019 is het Klimaatakkoord op een aantal punten ingehaald door nieuwere wetgeving en door de praktijk van de uitvoering.
Een overzicht van de belangrijkste verschuivingen op een rij.
Reductiedoel verhoogd van 49% naar 55%
Het oorspronkelijke doel van 49% minder uitstoot in 2030 staat sinds 2023 op minimaal 55%, vastgelegd in de Klimaatwet. Die wijziging volgde uit de Europese Klimaatwet, die voor de hele EU 55% reductie in 2030 voorschrijft.
Ook het einddoel is aangescherpt: in plaats van 95% reductie in 2050 streeft Nederland nu naar volledige klimaatneutraliteit (netto nul uitstoot) in 2050. Het beleid wordt feitelijk gericht op een hogere opgave van circa 60%, om het 55%-doel met meer zekerheid te halen.
PBL: 55%-doel vrijwel niet meer haalbaar
In de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV 2025) concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat Nederland met het huidige beleid afkoerst op 45 tot 53% reductie in 2030. Inclusief aanvullende doorrekenbare plannen komt dat uit op 47 tot net geen 55%.
Het wettelijke doel valt buiten die bandbreedte. De kans om 55% reductie in 2030 te halen, is volgens het PBL minder dan 5%.
Om het doel alsnog te halen, is volgens het PBL 13 tot 22 megaton extra reductie nodig bovenop het huidige beleid. Tegelijk zijn er volgens het rapport steeds minder beleidsopties die zo’n reductie kunnen opleveren zonder forse economische of maatschappelijke gevolgen.
EU-beleid neemt de regie over
Naast de nationale Klimaatwet bepaalt Europees beleid steeds meer wat er concreet verandert. De belangrijkste pakketten:
- Fit for 55: het EU-pakket dat de 55%-doelstelling juridisch verankerd en uitgewerkt heeft per sector.
- Klimaatplan 2025–2035: de Nederlandse vertaling van de EU-route richting klimaatneutraliteit in 2050, met een tussendoel van 90% reductie in 2040 (zoals geadviseerd door de Europese Commissie).
- ETS-2 (2027): een tweede Europees emissiehandelssysteem dat vanaf 2027 ook de uitstoot van gebouwen en wegverkeer beprijst. Voor consumenten betekent dit dat gas en brandstof duurder worden via een aparte CO₂-prijscomponent.
Wat er sinds 2019 is gebeurd
Op een aantal terreinen is er wel degelijk voortgang. De belastingverschuiving van gas naar elektriciteit is doorgevoerd, het aandeel hernieuwbare elektriciteit groeit fors (wind op zee komt op gang), en de zero-emissiezones zijn vanaf 1 januari 2025 in 18 gemeenten ingegaan.
De salderingsregeling voor zonnepanelen wordt afgebouwd en stopt op 1 januari 2027. Tegelijk lopen onderdelen vertraging op: wind op zee staat onder druk door onzekerheid over kosten en opbrengsten, en de doelen voor hernieuwbare energie en energiebesparing worden volgens het PBL niet gehaald.